Vertelsels

Winkelcentrum

Het was zaterdagmiddag, half twee. Johannes trok zijn jas aan en zette zijn hoed op. Hij stopte het boodschappenlijstje in zijn binnenzak, controleerde of hij zijn sleutels op zak had, en trok de voordeur achter zich dicht. In rustige stappen wandelde hij in de richting van het winkelcentrum. Er hing een sfeer van melancholie in de verlaten straat. Het was alsof hij door een oud, in onbruik geraakt filmdecor liep. In het verleden was het straatleven hier bruisend geweest – nu, sinds het begin van de grote crisis, was de levendigheid helemaal verdwenen. Al maanden lag er een deken van eenzaamheid over de woonwijk.

Hij ging een hoek om, stak een straat over en naderde het overdekte winkelcentrum. Op het grote parkeerterrein bleef hij een ogenblik stilstaan om naar de ingang van het gebouw te kijken. Daar onder dat gigantische videoscherm waarop voortdurend bewegende reclamebeelden te zien waren, was het tamelijk druk. De meeste mensen liepen in hun eentje. Ze gingen alleen naar binnen en kwamen alleen, met volle boodschappentassen, weer naar buiten. Toen Johannes bij de ingang kwam, viel het hem op hoe stil iedereen was. Ook aan de andere kant van de deur hoorde hij die stilte. Er werd hier nauwelijks gesproken. En lichamelijke nabijheid werd ook gemeden. De mensen deden hun best om zo veel mogelijk in bogen om elkaar heen te bewegen, om afstand te houden, om niet in elkaars persoonlijke sfeer te komen.

Bij de openstaande deur van de delicatessenwinkel brandde een rood stoplicht dat hem vertelde dat hij niet naar binnen mocht omdat er anders te veel mensen in een te kleine ruimte zouden staan. Deze regeling was in lijn met de geboden van De Staat. Johannes wachtte geduldig op zijn beurt, met de handen op de rug, en keek ondertussen om zich heen. Er liepen zo’n tweehonderd mensen in deze overdekte winkelgalerij. Bij iedereen was de onderste helft van het gezicht bedekt met een lapje textiel, zoals door De Staat verplicht was gesteld. Boven de randen van die zogeheten ‘mondkapjes’ zag hij bij elke voorbijganger twee verwarde, aangeslagen, soms ook achterdochtige ogen. Die ogen straalden niet alleen angst uit, maar ook afstomping en vermoeidheid. De mensen waren murw – ze waren gekweld en vernederd, en getemd. Deze mensen waren onderdanig omdat ze – uitgeput als ze waren – niet meer wisten hoe ze iets anders dan onderdanig konden zijn. Gedwee deden ze hun boodschappen. Gehoorzaam zouden ze vanavond thuis zitten, met niet meer bezoekers dan het aantal dat door De Staat was toegestaan.

Het stoplicht sprong op groen en Johannes mocht naar binnen. Daar werd hij geholpen door een jongedame met een wit stoflapje over de neus en de mond. Hij bestelde een Italiaanse ovenmaaltijd: kalfsvlees met gorgonzolasaus, broccoli, paddenstoelen, en pasta met olie en knoflook. Vervolgens vroeg hij om een ciabatta, twee verschillende kazen, wat salami en olijven.

Toen hij weer in de winkelgalerij stond, overwoog hij daar nog even rond te wandelen en nog een paar extra boodschappen te doen. Hij twijfelde. Leunend tegen de muur volgde hij alle schichtige mensen die aan hem voorbij liepen, mensen die hun eigen angst niet leken te begrijpen en soms zelfs niet wisten dat ze bang waren. Maar de meesten waren echt doodsbang. ‘Bang gemaakt – en gehouden – door de dagelijkse martelingen van de staatspropaganda,’ zei Johannes in stille ergernis tegen zichzelf. Moedeloos in elke vezel, en beseffend dat hij al dit leed niet meer kon verdragen, besloot hij om geen andere winkel meer binnen te gaan en snel de afzondering van zijn eigen huis op te zoeken.


Ga naar: inhoudsopgave miniaturen.