Vertelsels

Vroege ochtend

Kort na zevenen schoof ik, met een nog half slapend hoofd, het gordijn van mijn appartement open om naar het ochtendlicht te kijken. De onbewolkte lucht was op dit vroege uur nog vaal blauw als dunne waterverf. Laag aan de hemel stond de maan die een paar dagen eerder nog vol en rond was geweest en die nu alweer aan het afnemen was. Ook zij, de maan, was bleek van kleur. En de tuin daar beneden trouwens ook. Er lag een flinterdun laagje rijp op het gazon. Dit was zo’n maartse, vorstige ochtend die zich streng winters voordeed maar waarin toch al een aankondiging van de naderende lente besloten lag. Ik liet mijn ogen door het gehele tafereel dwalen: van de kraaien in de berkenboom links, langs de poes in de tuin van de benedenbuurvrouw, en vervolgens naar de man die iets verderop in de deuropening van zijn huis, in zijn kamerjas, ook naar het ochtendlicht stond te kijken. Een gevoel van geluk om zo veel schoonheid ging door me heen. Dit was zo’n moment waarin ik alle aardse zorgen vergat en waarin het me toescheen dat alle zichtbare dingen door een aura van eeuwigheid werden omgeven.


Ga naar: inhoudsopgave miniaturen.