Vertelsels

Storm

De voor vandaag voorspelde harde wind was al begonnen toen ik vanochtend om vijf over acht wakker werd. Ik lag op mijn rug, hield mijn ogen dicht en luisterde naar de aanzwellende en weer afnemende ruisgolven die mijn huis binnenkwamen. De massiviteit van de klank van de wind maakte indruk op me.

Nu, een half uur later, zit ik beneden in mijn ochtendjas, met een espresso bij het raam, en ik kijk naar de heen en weer zwiepende boomtakken. Alles wat bewegen kan, beweegt. De korte struikjes in mijn voortuin staan nerveus te trillen. Een oude krant verplaatst zich al dansend over de natte straatstenen, op de voet gevolgd door tientallen herfstbladeren.

Terwijl ik kleine slokjes koffie neem, gaan er gedachten over de schoonheid door mijn hoofd. De wuivende bomen zijn mooi; het ochtendlicht op de rimpelende plassen is ook mooi; zelfs het sombere wolkendek vind ik mooi. Overal is schoonheid, bedenk ik. Ik ben blij dat ik dit kan denken. Het lucht me op dat ik nog altijd in staat ben me door de wereld te laten verwonderen en verblijden. Een gevoel van dankbaarheid komt in me omhoog.

Dan zie ik opeens de weerspiegeling van een van mijn schemerlampen in het venster; en ik word me bewust van het glas dat mij van de buitenwereld afscheidt. Als ik mijn arm strek kan ik het koele oppervlak met mijn vingertoppen aanraken. Daarachter woedt de decemberwind – hierbinnen is het behaaglijk warm.

Ik stel me voor dat dit raam een enorm beeldscherm is. Vlak achter de glasplaat bevinden zich alleen maar draden, microchips en andere elektronische componenten. Er is geen storm – er is zelfs geen straat met wiegende bomen en opgejaagde kranten. De scène die ik voor me zie – de natte trottoirtegels, de grauwe hemel – is een hoogwaardig videobeeld, een simulatie die via het internet in mijn huis wordt afgeleverd, en waar ik deze ochtend in mijn badjas naar zit te kijken.

Na mijn tweede kop koffie sta ik op uit mijn stoel om me te gaan aankleden. Als ik in de hal ben, doe ik de voordeur even open omdat ik de buitenlucht wil voelen. Frisse regendruppels landen op mijn gezicht. Mijn haar waait omhoog. Voordat ik me omdraai om naar boven te gaan kijk ik nog even naar de onrustige lege straat. In het huis aan de overkant is wat beweging te zien. De overbuurman heeft de televisie aangezet en zit nu op de bank. Het schijnsel van het beeldscherm doet hem, en de muur achter hem, blauw oplichten. Wellicht kijkt hij naar beelden van de storm. Waarschijnlijk zijn er ergens in het land enkele bomen omgevallen. En misschien heeft iemand een dakpan op zijn hoofd gekregen. Ik duw de deur zachtjes dicht en ga de trap op.


Ga naar: inhoudsopgave miniaturen.