Vertelsels

Slingerend pad

Ik had een fantasie waar een onbekende man genaamd Paulus in voorkwam. Paulus en ik wandelden schouder aan schouder over een slingerend pad door een onbekend landschap. Rechts van het pad lagen velden, sloten, struiken en enkele boomgroepen. Daarachter, in de zonnige heuvels zag ik weiden met schapen en koeien, en hier en daar een boerderij. Toen ik mijn blik naar de andere kant van het pad wendde, zag ik de skyline van een enorme stad, een metropool. Het kwam me voor dat die stad geen grenzen had en nergens ophield. Tot in het oneindige zag ik blokvormige silhouetten van huizen en wolkenkrabbers.

Wij, ik en Paulus, wandelden rustig voort. Al snel hadden onze loopritmes zich aan elkaar aangepast: niet alleen onze voeten zochten de gelijktijdigheid, ook onze wandelstokken tikten steeds op hetzelfde moment tegen de plavuizen, wat een grappig ritme opleverde. Paulus dacht na, was serieus gestemd. En ik keek met plezier om me heen, vooral naar de vredige weiden en velden rechts van me. In de verte, tussen twee heuvels zag ik een meertje waarop een houten roeiboot dreef. Een man was in z’n eentje naar de overkant aan het varen. Hij had geen haast, dat was duidelijk. In een soepele beweging trok hij de roeispanen naar zich toe om ze vervolgens boven de waterspiegel weer van zich af te duwen. Ik moest even glimlachen om de eenvoudige schoonheid van het tafereel.

Daarna keek ik weer naar de linkerzijde van het pad, waar de grote stad in haar kolossale omvang aan de horizon lag. Het viel me nu op dat er nogal wat stalen communicatietorens met schotels en antennes tussen de gebouwen stonden, soms ook op de daken. Daar in de stad was iedereen met iedereen verbonden, vermoedde ik. Ik vroeg me af hoeveel mensen in al die huizen en appartementen woonden. Miljoenen, veronderstelde ik. Miljoenen levens speelden zich achter de spiegelende glazen wanden van al die wolkenkrabbers af.

‘Vertel eens wat over die stad,’ zei ik tegen Paulus, in de veronderstelling dat hij meer wist dan ik.

‘Oh…, oké Joost…,’ zei hij aarzelend. ‘Wat kan ik vertellen? De inwoners zijn altijd thuis. Ze zitten de hele dag in hun woningen. Daar werken ze, daar eten ze, daar kijken ze tv, daar slapen ze. Ze gaan nooit naar buiten. Het is hen door De Staat verboden om de deur uit te gaan. Levensmiddelen worden aan huis bezorgd, evenals kleding en andere benodigdheden. De mensen hebben via microfoons, camera’s en beeldschermen contact met familie en vrienden. Meestal praten ze over gezellige dingen die ze zojuist op tv of in een ander computerprogramma hebben gezien, zoals jonge poesjes in een nestje, of iemand die over een bananenschil uitgleed en op zijn neus viel. Soms kijken ze, ook via hun beeldscherm, naar vreemdelingen die seks bedrijven. Of ze kijken naar romantische verhalen over de liefde, over mensen die niet in hun huizen zijn opgesloten maar gewoon met de auto naar het strand rijden als ze daar zin in hebben, of over groepen vrienden die ’s avonds naar een feest gaan om te dansen. De opgeslotenen, zijn overigens niet ontevreden. Ze zijn altijd rustig en stil, ze klagen niet, ze denken niet na over hun leven. Nadenken leidt tot niets, vinden ze – daar word je alleen maar somber van. Ze kijken liever naar leuke dingen op hun beeldschermen.’

Paulus keek me aan, haast verontschuldigend.

‘Dank je,’ zei ik. ‘En laten we nu maar lekker verder wandelen over dit mooie pad.’

Ik keek weer naar het landschap rechts van me. De roeiboot had de overkant bereikt en lag nu aan een houten stijger. Iets verderop zag ik de roeier naar een boerderij lopen. Ik vroeg me af of hij daar alleen woonde, of met een vrouw, wellicht ook met kinderen. Hij heeft vast wel een gezin, bedacht ik – vast wel. Ik zuchtte tevreden en richtte mijn blik op de horizon.


Ga naar: inhoudsopgave miniaturen.