Gebeden

Nachtval

Het is een koele, windstille zomeravond. Zojuist heeft de kerkklok tien uur geslagen. Ik zit in mijn stoel bij het raam en tuur naar de invallende schemering. Dan, zomaar opeens, begin ik te fluisteren. ‘Hallo God,’ zeg ik zacht, behoedzaam. ‘Hier ben ik, God – hier in deze fauteuil zit ik met gevouwen handen.’ Ik luister een ogenblik naar de avondlijke stilte en sluit mijn ogen. ‘Hier ben ik, God,’ zeg ik opnieuw. ‘En ik ben gereed om met u te praten. Ik vraag om Uw aandacht. Wilt U mijn stem alstublieft horen?’

Op dat moment verwonder ik mij over wat ik zojuist heb gedaan. Ik staar een poosje naar de uitgestrekte ruimte boven de stad, naar de donkerte van het wolkendek, en ik luister naar de woorden die zojuist over mijn lippen kwamen en die nu in mijn herinnering naklinken. ‘Hier ben ik, God.’ Al dagen wil ik dit gesprek met U openen – al dagen vraag ik me af wat mijn openingszin moet zijn, en nu heb ik voor het eerst iets gezegd. Ja, ik heb werkelijk iets tegen U gezegd. Mijn gebed is begonnen. Als ik me dat realiseer trekt er een tinteling door mijn geest. Onmiddellijk denk ik terug aan de psalmtekst die ik vanmiddag heb gelezen: De Profundis Clamavi. ‘Uit de diepte roep ik tot u, Heer. Heer, hoor mijn stem, wees aandachtig, luister naar mijn roep om genade.’

Ook denk ik aan de koormuziek die ik vanochtend heb gehoord, die drie heel verschillende, maar alle drie prachtige toonzettingen van deze oude psalm. Allereerst heb ik de compositie van Arvo Pärt uit de late twintigste eeuw beluisterd; daarna de versie die Josquin des Prez rond het jaar 1500 schreef; en tenslotte het Gregoriaanse gezang dat, naar ik vermoed, al in het eerste millennium na Christus is ontstaan.

Die muziek en die tekst hebben mijn gebed, dat een paar minuten geleden nog onrustig in de afgeslotenheid van mijn geest rondzweefde, het laatste beslissende duwtje naar buiten gegeven. Dus, hier ben ik dan, God. Wilt U naar mij luisteren?


Ga naar: inhoudsopgave miniaturen.