Vertelsels

Eerste Kerstdag

Zojuist ben ik thuisgekomen van een fietstocht door de bossen. Onderweg ben ik gestopt bij een kleine Mariakapel die al tachtig jaar aan de rand van een bosweg staat, verscholen tussen hoge naaldbomen, en waar ik al vaak langs ben gereden. Nadat ik mijn fiets tegen de muur had gezet, en nog even naar de woorden op de wite voorgevel had gekeken – ‘Ave Maria,’ stond er in sierlijke zwarte letters – ging ik door de open rondboogingang naar binnen.

Hoewel de binnenruimte klein was – kleiner dan mijn woonkamer – had ik toch het gevoel dat ik in een echte kerk stond. Het middenpad werd aan weerszijden geflankeerd door twee houten bankjes met elk twee zitplaatsen. Aan de linkermuur hing een kruisbeeld, aan de andere een lijst met namen van gevallenen tijdens de tweede wereldoorlog. Drie meter verderop, aan het einde van het pad stond een ijzeren tafel met zeker veertig kaarsvlammen in rode doorzichtige bakjes — en nadat ik was gaan zitten, viel mijn oog op de eenvoudige kerststal die achter de kaarsen tegen de muur was opgesteld en die door twee zwakke spotjes vanaf het plafond werd verlicht. Terwijl ik daar in stilte zat, en mijn ogen niet van de hypnotiserende dans van de rode vlammen kon afhouden, vroeg ik me af of ik in staat was om te bidden, en hoe mijn gebed dan zou luiden.

Op dat ogenblik kwamen in mijn geest de hoofdrolspelers van het werelddrama als een optocht van marionetten voorbij. Allereerst zag ik ministers en presidenten, gekleed in purperen jassen, met elk een gouden scepter in hun rechterhand. Ze werden op de voet gevolgd door een lange rij burgers – mannen, vrouwen en kinderen – in streepjespyjama’s en met witte lapjes textiel voor hun mond en neus. Vervolgens marcheerde een groep politieagenten aan me voorbij, en daarna een lange stoet dokters en verpleegsters in kraakwitte jassen en diepzwarte laarzen. De optocht werd afgesloten door een klein clubje journalisten die ijverig in microfoons aan het spreken waren. Door het ritmische gestamp van al die voetstappen heen hoorde ik enkele losse woorden, en flarden van zinnen, die zacht en golvend, bijna melodisch door zijn hoofd zweefden. ‘Bevelen…, gehoorzamen…, we moeten allemaal meedoen…, volhouden…, hou elkaar in de gaten…, geef elkaar aan…, pas op…, blijf thuis…, samen in isolement…, samen eenzaam.’

Toen deze beelden en geluiden een moment later in ijle lucht waren opgelost, was ik weer terug in de kleine kapel. De gipsen beeldjes van de kerststal stonden elkaar nog altijd roerloos aan te kijken. Mijn oog viel nu ook op een donkerrode rozenkrans die in de hoek aan de muur hing, met daarnaast een klein schilderij dat de Heilige Maagd voorstelde. ‘Tweeduizend jaar geleden zag zij haar zoon aan het kruis een gruwelijke dood sterven,’ dacht ik. ‘In haar ogen moet de wereld ook gitzwart zijn geweest.’ Het drong tot me door dat Maria toen geen weet had van de betekenis die het verhaal van Jezus – waar ze zelf deel van uitmaakte – voor miljoenen mensen door de eeuwen heen zou gaan krijgen. Ze moest deze verschrikkingen ondergaan in de beperktheid van haar eigen plekje in ruimte en tijd, zonder het grotere verband te kunnen zien. ‘Ooit, in de verre toekomst…,’ fluisterde ik tegen mezelf, ‘…zullen onze nakomelingen ook een zinvolle betekenis geven aan deze afschuwelijke eenentwintigste eeuw. Althans…, dat hoop ik.’

Ik stond op om terug naar mijn fiets te lopen. Vlak voor de uitgang bleef ik even stilstaan bij een houten katheder met daarop een geopend schrift waarin bezoekers een gedachte of een wens konden opschrijven. Ik las een zin van een meisje dat haar opa miste, en daaronder – in een hoekig handschrift – een man die aan God vroeg of hij nog eens een lieve vrouw mocht ontmoeten. Terwijl ik terug bladerde en allerlei vragen en verzuchtingen las, werd ik me bewust van de stilte in de kapel, en van de stilte in het bos. Het was alsof ik voor een kort ogenblik op een plaats buiten de aardse wervelingen terecht was gekomen. Zonder lang na te denken pakte ik de pen die met een touwtje aan de lessenaar hing; ik bladerde naar een nieuwe lege bladzijde, en ik schreef:

Beste Maria, ik bid dat de angst eens uit de harten van de mensen zal verdwijnen, dat de mensen in de toekomst moed zullen verzamelen om zichzelf te hervinden, dat ze ooit gaan begrijpen dat het perverse spel van de macht zomaar kan stoppen en dat het echte leven kan terugkeren. Ik bid dat de waanzin in het niets zal oplossen, en dat het land weer leiders krijgt die het volk willen dienen. Dat bid ik…

In een bezonken stemming fietste ik terug naar huis. Ik keek om me heen, naar de bomen en de struiken, en ik was blij dat ik de kapel had bezocht. Deze kerstdag verliep kalm, rimpelloos, contemplatief. Zo meteen zou ik een lekker glas whisky inschenken en in mijn stoel gaan zitten, besloot ik terwijl ik de stad naderbij zag komen.


Ga naar: inhoudsopgave miniaturen.