Vertelsels

Landschap met betekenis

Geplaatst op

Zittend in mijn lekker verwarmde auto, rijdend door het Gelderse landschap, zag ik door het glas dat het weer erg onstuimig en wispelturig was. Het ene moment reed ik door een sneeuwbui, een kwartier later scheen de zon weer. Nadat ik op een zeker ogenblik een klein dorp achter me had gelaten, bevond ik me opeens in een uitgestrekt, zonovergoten landschap van weiden, bomen, boerderijen. De weidsheid overrompelde me. Links, rechts, voor en achter…, in elke richting kon ik in de verte kijken. In deze enorme ruimte was elke gedachte die in mijn geest kon verschijnen, klein en onbetekenend.

Deze omgeving, die al zo ongelooflijk mooi was, werd even later nog mooier. Ik nam een bocht en zag een groene vlakte voor me, met hier en daar een rijtje berkenbomen. Het hele landschap werd op toverachtige wijze door de zon scherp uitgelicht. Het tafereel was zowel verfijnd als verbluffend. Achter al dat moois — laag boven de horizon — hing een donkergrijze, kolossale en onheilspellende lucht. Ik zou over vijf minuten weer een hevige sneeuwbui binnenrijden, wist ik, maar de weg daarheen was als een decor voor een sprookje. De bomen en de grasvelden leken zelf licht uit te stralen en waren hyperaanwezig. Er was zo veel schoonheid te zien dat ik er duizelig van werd. Het was magnifiek.

Later, toen ik thuis was vroeg ik me af of in die ervaring een symboliek besloten lag. Ik reed door een fantastisch fraai landschap in de richting van een nare, vervelende sneeuwbui. En het eerste kon niet bestaan zonder het tweede, en omgekeerd. Alleen door die dreigende grijze lucht in de verte kon alles wat me nabij was zo schitterend zijn. Ja, dat ogenblik in dat Gelderse landschap was verzadigd met betekenis.


Ga naar: inhoudsopgave miniaturen.

Vertelsels

Slingerend pad

Geplaatst op

Ik had een fantasie waar een onbekende man genaamd Paulus in voorkwam. Paulus en ik wandelden schouder aan schouder over een slingerend pad door een onbekend landschap. Rechts van het pad lagen velden, sloten, struiken en enkele boomgroepen. Daarachter, in de zonnige heuvels zag ik weiden met schapen en koeien, en hier en daar een boerderij. Toen ik mijn blik naar de andere kant van het pad wendde, zag ik de skyline van een enorme stad, een metropool. Het kwam me voor dat die stad geen grenzen had en nergens ophield. Tot in het oneindige zag ik blokvormige silhouetten van huizen en wolkenkrabbers.

Wij, ik en Paulus, wandelden rustig voort. Al snel hadden onze loopritmes zich aan elkaar aangepast: niet alleen onze voeten zochten de gelijktijdigheid, ook onze wandelstokken tikten steeds op hetzelfde moment tegen de plavuizen, wat een grappig ritme opleverde. Paulus dacht na, was serieus gestemd. En ik keek met plezier om me heen, vooral naar de vredige weiden en velden rechts van me. In de verte, tussen twee heuvels zag ik een meertje waarop een houten roeiboot dreef. Een man was in z’n eentje naar de overkant aan het varen. Hij had geen haast, dat was duidelijk. In een soepele beweging trok hij de roeispanen naar zich toe om ze vervolgens boven de waterspiegel weer van zich af te duwen. Ik moest even glimlachen om de eenvoudige schoonheid van het tafereel.

Daarna keek ik weer naar de linkerzijde van het pad, waar de grote stad in haar kolossale omvang aan de horizon lag. Het viel me nu op dat er nogal wat stalen communicatietorens met schotels en antennes tussen de gebouwen stonden, soms ook op de daken. Daar in de stad was iedereen met iedereen verbonden, vermoedde ik. Ik vroeg me af hoeveel mensen in al die huizen en appartementen woonden. Miljoenen, veronderstelde ik. Miljoenen levens speelden zich achter de spiegelende glazen wanden van al die wolkenkrabbers af.

‘Vertel eens wat over die stad,’ zei ik tegen Paulus, in de veronderstelling dat hij meer wist dan ik.

‘Oh…, oké Joost…,’ zei hij aarzelend. ‘Wat kan ik vertellen? De inwoners zijn altijd thuis. Ze zitten de hele dag in hun woningen. Daar werken ze, daar eten ze, daar kijken ze tv, daar slapen ze. Ze gaan nooit naar buiten. Het is hen door De Staat verboden om de deur uit te gaan. Levensmiddelen worden aan huis bezorgd, evenals kleding en andere benodigdheden. De mensen hebben via microfoons, camera’s en beeldschermen contact met familie en vrienden. Meestal praten ze over gezellige dingen die ze zojuist op tv of in een ander computerprogramma hebben gezien, zoals jonge poesjes in een nestje, of iemand die over een bananenschil uitgleed en op zijn neus viel. Soms kijken ze, ook via hun beeldscherm, naar vreemdelingen die seks bedrijven. Of ze kijken naar romantische verhalen over de liefde, over mensen die niet in hun huizen zijn opgesloten maar gewoon met de auto naar het strand rijden als ze daar zin in hebben, of over groepen vrienden die ’s avonds naar een feest gaan om te dansen. De opgeslotenen, zijn overigens niet ontevreden. Ze zijn altijd rustig en stil, ze klagen niet, ze denken niet na over hun leven. Nadenken leidt tot niets, vinden ze – daar word je alleen maar somber van. Ze kijken liever naar leuke dingen op hun beeldschermen.’

Paulus keek me aan, haast verontschuldigend.

‘Dank je,’ zei ik. ‘En laten we nu maar lekker verder wandelen over dit mooie pad.’

Ik keek weer naar het landschap rechts van me. De roeiboot had de overkant bereikt en lag nu aan een houten stijger. Iets verderop zag ik de roeier naar een boerderij lopen. Ik vroeg me af of hij daar alleen woonde, of met een vrouw, wellicht ook met kinderen. Hij heeft vast wel een gezin, bedacht ik – vast wel. Ik zuchtte tevreden en richtte mijn blik op de horizon.


Ga naar: inhoudsopgave miniaturen.

Vertelsels

Vroege ochtend

Geplaatst op

Kort na zevenen schoof ik, met een nog half slapend hoofd, het gordijn van mijn kamer open om naar het ochtendlicht te kijken. De onbewolkte lucht was op dit vroege uur nog vaal blauw als dunne waterverf. Laag aan de hemel stond de maan die een paar dagen eerder nog vol en rond was geweest en die nu alweer aan het afnemen was. Ook zij, de maan, was bleek van kleur. En de tuin daar beneden trouwens ook. Er lag een flinterdun laagje rijp op het gazon. Dit was zo’n maartse, vorstige ochtend die zich streng winters voordeed maar waarin toch een aankondiging van de naderende lente besloten lag. Ik liet mijn ogen door het gehele tafereel dwalen: van de kraaien in de berkenboom links, langs de poes in de tuin van de onderbuurvrouw, en vervolgens naar de man die iets verderop in de deuropening van zijn huis, in zijn ochtendjas, een sigaret stond te roken. Een gevoel van geluk om zo veel schoonheid ging door me heen. Dit was zo’n moment waarin ik alle aardse zorgen vergat, waarin ik zelfs de tijd vergat en waarin het me toescheen dat alle zichtbare dingen door een aura van eeuwigheid werden omgeven.


Ga naar: inhoudsopgave miniaturen.

Vertelsels

Winkelcentrum

Geplaatst op

Het was zaterdagmiddag, half twee. Johannes trok zijn jas aan en zette zijn hoed op. Hij stopte het boodschappenlijstje in zijn binnenzak, controleerde of hij zijn sleutels op zak had, en trok de voordeur achter zich dicht. In rustige stappen wandelde hij in de richting van het winkelcentrum. Er hing een sfeer van melancholie in de verlaten straat. Het was alsof hij door een oud, in onbruik geraakt filmdecor liep. In het verleden was het straatleven hier bruisend geweest – nu, sinds het begin van de grote crisis, was de levendigheid helemaal verdwenen. Al maanden lag er een deken van eenzaamheid over de woonwijk.

Hij ging een hoek om, stak een straat over en naderde het overdekte winkelcentrum. Op het grote parkeerterrein bleef hij een ogenblik stilstaan om naar de ingang van het gebouw te kijken. Daar onder dat gigantische videoscherm waarop voortdurend bewegende reclamebeelden te zien waren, was het tamelijk druk. De meeste mensen liepen in hun eentje. Ze gingen alleen naar binnen en kwamen alleen, met volle boodschappentassen, weer naar buiten. Toen Johannes bij de ingang kwam, viel het hem op hoe stil iedereen was. Ook aan de andere kant van de deur hoorde hij die stilte. Er werd hier nauwelijks gesproken. En lichamelijke nabijheid werd ook gemeden. De mensen deden hun best om zo veel mogelijk in bogen om elkaar heen te bewegen, om afstand te houden, om niet in elkaars persoonlijke sfeer te komen.

Bij de openstaande deur van de delicatessenwinkel brandde een rood stoplicht dat hem vertelde dat hij niet naar binnen mocht omdat er anders te veel mensen in een te kleine ruimte zouden staan. Deze regeling was in lijn met de geboden van De Staat. Johannes wachtte geduldig op zijn beurt, met de handen op de rug, en keek ondertussen om zich heen. Er liepen zo’n tweehonderd mensen in deze overdekte winkelgalerij. Bij iedereen was de onderste helft van het gezicht bedekt met een lapje textiel, zoals door De Staat verplicht was gesteld. Boven de randen van die zogeheten ‘mondkapjes’ zag hij bij elke voorbijganger twee verwarde, aangeslagen, soms ook achterdochtige ogen. Die ogen straalden niet alleen angst uit, maar ook afstomping en vermoeidheid. De mensen waren murw – ze waren gekweld en vernederd, en getemd. Deze mensen waren onderdanig omdat ze – uitgeput als ze waren – niet meer wisten hoe ze iets anders dan onderdanig konden zijn. Gedwee deden ze hun boodschappen. Gehoorzaam zouden ze vanavond thuis zitten, met niet meer bezoekers dan het aantal dat door De Staat was toegestaan.

Het stoplicht sprong op groen en Johannes mocht naar binnen. Daar werd hij geholpen door een jongedame met een wit stoflapje over de neus en de mond. Hij bestelde een Italiaanse ovenmaaltijd: kalfsvlees met gorgonzolasaus, broccoli, paddenstoelen, en pasta met olie en knoflook. Vervolgens vroeg hij om een ciabatta, twee verschillende kazen, wat salami en olijven.

Toen hij weer in de winkelgalerij stond, overwoog hij daar nog even rond te wandelen en nog een paar extra boodschappen te doen. Hij twijfelde. Leunend tegen de muur volgde hij alle schichtige mensen die aan hem voorbij liepen, mensen die hun eigen angst niet leken te begrijpen en soms zelfs niet wisten dat ze bang waren. Maar de meesten waren echt doodsbang. ‘Bang gemaakt – en gehouden – door de dagelijkse martelingen van de staatspropaganda,’ zei Johannes in stille ergernis tegen zichzelf. Moedeloos in elke vezel, en beseffend dat hij al dit leed niet meer kon verdragen, besloot hij om geen andere winkel meer binnen te gaan en snel de afzondering van zijn eigen huis op te zoeken.


Ga naar: inhoudsopgave miniaturen.

Vertelsels

Zelfdoding

Geplaatst op

Nog nooit heb ik een doodswens gehad – zelfs niet in perioden van zware tegenspoed, zelfs niet op die momenten in mijn leven waarop alles donker leek en ik de moed dreigde te verliezen. Natuurlijk heb ik me wel eens proberen voor te stellen hoe het zou zijn om een einde aan mijn leven te maken. Ik deed dat gedachte‑experiment vooral uit nieuwsgierigheid, niet omdat ik die mogelijkheid serieus overwoog. En als ik daar dan over verder mijmerde, begon zich in mijn hoofd altijd een scène af te spelen. Ik zag mezelf thuis, zittend op de bank, met gesloten gordijnen. Nadat ik een goede avondmaaltijd had gebruikt, stak ik tientallen kaarsen aan. Ik schonk een glas goede whisky in en zette mooie muziek op, bijvoorbeeld de mis in b mineur van Bach. Vlak voor me, op de salontafel lag een dodelijke pil.

Rond middernacht, nadat ik mijn tanden had gepoetst, nam ik die pil met een glas water in. Ik liep een rondje door de kamer om alle kaarsen uit te blazen en ging de trap op. In bed lag ik nog een poos naar het donkere plafond te staren. Ik voelde dat ik langzaam doezelig werd en wist dat ik weldra voor de laatste keer in slaap zou vallen en nooit meer wakker zou worden. Ik zou van de wereld verdwijnen; en vervolgens zou ik niets meer weten, ook niet dat ik vrijwillig de uitgang had gezocht. Al mijn gedachten en herinneringen waren in een onvoorstelbaar, oneindig niets opgegaan. Na mijn heengaan was ik er eenvoudigweg niet meer.

Als ik op dat punt was aanbeland – dat punt waarop ik in bed op mijn dood lag te wachten – werd mijn fantasie steevast verstoord. Dan vroeg ik me altijd af (terwijl ik als een toeschouwer buiten het verhaal ging staan) of de doodsangst in zo’n situatie plotseling zou kunnen toeslaan. Immers, in het verhaal dat zich in mijn verbeelding afspeelde, wist ik dat het gif al aan het werk was en ik dus niet meer terug kon; en ik besefte ook dat ik nog even moest wachten voordat ik zachtjes in die allerlaatste nacht zou wegglijden. Zou ik dan bang worden? Zou ik spijt krijgen? Zou ik die laatste minuten misschien zelfs door blinde paniek overvallen worden? Deze verontrustende vragen zorgden ervoor dat ik snel wegrende – weg van de fictie, terug naar de werkelijkheid. Verder dan dit theatrale verzinsel ben ik nooit gegaan. Zelfdoding is nooit een optie geweest. Ik kon me gewoon niet voorstellen dat ik er een einde aan zou willen maken.

Dat is nu veranderd. De wereld is sinds het vroege voorjaar van 2020 overgeleverd aan misdadigers en psychopaten die het menselijk leven elke dag weer een stukje minder menselijk maken. Niet alleen in Nederland is het bestaan in een hel veranderd, ook in andere landen is dit gebeurd. Ontsnappen is dus onmogelijk want overal ter wereld is dezelfde waanzin losgebarsten. En er is geen hoop op verlossing.

Sinds ik die nieuwe werkelijkheid om me heen zie, vraag ik me regelmatig af of deze wereld eigenlijk nog wel leefbaar is. Is de pijn nog te dragen? Is het leven nog zinvol? Ik heb vooralsnog geen antwoord op die vragen. Ik ben op zoek naar manieren om in deze gekwelde tijden een vredig leven te leiden zonder in illusies te vluchten. En ik probeer te erkennen dat, als zo’n leven niet meer mogelijk is, een zelfgekozen aftocht wel eens het enige waardige en eervolle alternatief zou kunnen zijn. De toekomst zal het leren!


Ga naar: inhoudsopgave miniaturen.