Vertelsels

Baby

Geplaatst op

Vanochtend werd ik wakker uit een vreemde droom.

Ik lag op een ziekenhuisbed en er werd bij mij bloed afgenomen. Waarom dat gebeurde, weet ik niet. Ik weet alleen dat het me helemaal niet verontrustte. Ik was heel kalm, en dat mag opmerkelijk worden genoemd want het ging om een grote hoeveelheid bloed die vanuit een vreemde plek — vlak achter mijn rechteroor — via een doorzichtig slangetje werd weggepompt. Maar zoals gezegd, ik was volkomen rustig.

Op een zeker moment kwamen enkele verpleegsters de kamer binnen. Een van hen bracht een baby mee, een mooie, licht mollige baby — en dat kind, een meisje, werd mij in handen gegeven. Ze voelde zacht aan, en ik had het idee dat ze even glimlachte. Dit was mijn dochtertje, besefte ik, ook al wist ik niet wie de moeder was. Ik was haar vader. Ondertussen hield ik dat pasgeboren kind trots tegen mijn borstkas. In volle tevredenheid liet ze zich door mij omhelzen. En ik was zielsgelukkig.

Toen werd ik wakker, verbaasd en verwonderd over die merkwaardige droom.


Vertelsels

Sinds ik dood ben

Geplaatst op

Onlangs zat ik na te denken over een nieuw verhaal. Ik stelde me voor dat de verteller een onlangs overleden man was, die vanuit het hiernamaals terugkeek naar de wereld die hij zojuist had verlaten. Even later kwam er een eerste alinea in me op:

“Sinds ik dood ben, snap ik nog minder van de wereld dan toen ik nog leefde. Het domein van het stoffelijke, dat grillige landschap waarin ik hiervoor vertoefde, is in mijn nieuwe bestaan niet begrijpelijker geworden, maar juist veel raadselachtiger. Als ik nu naar het ondermaanse kijk, roept alles wat ik waarneem vragen in me op. Zo begrijp ik bijvoorbeeld niet wat ruimte is – wat plaats, afstand en beweging betekenen. En ik zie niet die scherpe grens tussen fictie en realiteit die de aardbewoners wel menen te zien, en waar zij veel waarde aan hechten. Ook verbaas ik me als ik mensen hoor vragen naar ‘het waarom’ van een verschijnsel of gebeurtenis, met in hun ogen een blik die me vertelt dat ze werkelijk geloven dat er een antwoord op die vraag bestaat. Heel merkwaardig komt dit alles me voor – heel apart. Maar momenteel is Chronos, de godheid die op aarde ‘de tijd’ wordt genoemd, toch wel de grootste veroorzaker van mijn verwarring. Door hem raak ik af en toe helemaal de kluts kwijt.”

Misschien zal ik dit verhaal nog ooit schrijven. Het begin heb ik in elk geval al.


Ga naar: inhoudsopgave miniaturen.

Vertelsels

Ketting van associaties

Geplaatst op

Ik zit te mijmeren over een bepaalde scène uit de tweede helft van mijn leven, waarin ik in een rokerig café naar een jazzband zit te luisteren. Als de pianist op een zeker moment een dalend pentatonisch motief inzet, word ik terstond meegenomen naar een studentenkamer in een andere stad, twintig jaar eerder, waar ik voor een vriendinnetje een prelude van Debussy probeer te spelen: La fille aux cheveux de lin. Vervolgens ben ik heel kort, slechts een paar tellen, een bejaarde man die op straat naar een mooi jong meisje met lang blond haar staat te gluren, om daarna door een wolk van tijd te gaan en in mijn ouderlijke huis te arriveren. Ik ben nu in de jaren zeventig van de twintigste eeuw – dit zijn mijn tienerjaren. Ik lig op bed en blader door een seksboekje dat ik in het nachtkastje van mijn vader heb gevonden. En als ik dan plotseling drieëndertig ben, ligt hij, mijn vader, opgebaard in een doodskist. Ik kijk naar zijn bleke gelaat en voel geen verdriet – dat komt pas een jaar later, als ik in Ierland oog in oog sta met een glimlachende oude man die verbluffend veel op mijn vader lijkt, en die me tranen in de ogen bezorgt.

Zo werkt de geest — niet volgens de rechte lijnen van de logica, maar in onvoorspelbare associatieve sprongen. Dit is de werkelijkheid van ons spiritueel leven.


Ga naar: inhoudsopgave miniaturen.

Vertelsels

Een vreemdeling

Geplaatst op

Ik ben in het stadspark en zit naar de weerspiegeling van de wolken in het gerimpelde water van de vijver te kijken. Op het bankje naast me zit een vrouw met haar jonge zoontje. Ze wijst met gestrekte arm naar de vogels die langzaam over het water drijven, en ze vertelt haar jongen dat dit eendjes zijn. ‘Eendjes,’ herhaalt hij. ‘Eendjes,’ roept hij nogmaals, dit keer schaterend. Zijn moeder geeft hem een zoen op het voorhoofd en strijkt door zijn dunne blonde haren. Terwijl ik vanuit mijn ooghoeken naar haar kijk, vraag ik me af of zij ook weet dat de wereld gebukt gaat onder een ongekende, nog niet eerder in de geschiedenis vertoonde tirannie; en of ze zich, net als ik, afvraagt of haar kind nog wel een menswaardige toekomst heeft.

Het komt wel vaker voor dat ik me bij het zien van een vreemdeling afvraag of die persoon weet wat ik weet, ziet wat ik zie, en denkt wat ik denk. Waarschijnlijk is dit zelden het geval maar toch ontmoet ik soms een geestverwant, en dat is altijd een bevrijdende ervaring omdat er dan een echt gesprek gevoerd kan worden, waarin de onverbloemde waarheid kan worden gezegd.

Of deze vrouw zo’n geestverwant is, zal ik nooit weten. Ze is alweer vertrokken met haar zoontje. Ik sta ook maar op en begin in de richting van mijn huis te wandelen, me afvragend waarom ik niet de moed had om haar aan te spreken.


Ga naar: inhoudsopgave miniaturen.

Vertelsels

Quarantaine

Geplaatst op

Tijdens een wandeling door de stad blijf ik een ogenblik stilstaan bij een groot appartementengebouw. Het is een modern wooncomplex voor zorgbehoevende bejaarden. Voor deze oude mensen is dit de laatste woonplek in hun aardse leven. Velen hebben al afscheid genomen van hun geliefde man of vrouw en zitten nu in hun eentje hun resterende dagen te slijten. Ik laat mijn blik langs de gevel gaan en zie de oudjes achter hun ramen zitten. Ze turen onafgebroken in de verte. Op de derde etage zit een vrouw naar mij te zwaaien. Ik zwaai terug en probeer te glimlachen, wetend dat dit vandaag een van haar weinige momenten van menselijk contact is. Haar kinderen mogen niet op bezoek komen, haar kleinkinderen evenmin. Dit is niet haar eigen keuze maar het beleid van de zorginstelling. Bezoekers worden eenvoudigweg niet toegelaten – daarover is geen discussie mogelijk.

Na nog een paar stappen te hebben gezet, kom ik bij de hoofdingang. Ik gluur door de glazen deur naar binnen en zie een groot bord aan de muur met een bericht voor de bewoners:

Het is verboden naar buiten te gaan.
Anders zijn wij verplicht u 15 dagen in quarantaine te plaatsen op uw kamer.
De Directie.

Onlangs las ik een artikel in het plaatselijke krantje waaruit bleek dat men de daad bij het woord had gevoegd. Een man van achtenzeventig was toch stiekem weg geslopen om naar de verjaardag van zijn kleinzoon te gaan. Bij thuiskomst werd hij bij de deur door twee verplegers in plastic pakken opgevangen. Vijf minuten later werd hij in zijn kamer opgesloten. Toen ik dat verhaal las, moest ik denken aan het beroemde boek Inferno van Dante Alighieri waarin hij zijn lezers vertelt over een bord dat boven de poort van de hel hangt, met het opschrift: ‘Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt.’


Ga naar: inhoudsopgave miniaturen.

Vertelsels

Landschap met betekenis

Geplaatst op

Zittend in mijn lekker verwarmde auto, rijdend door het Gelderse landschap, zag ik door het glas dat het weer erg onstuimig en wispelturig was. Het ene moment reed ik door een sneeuwbui, een kwartier later scheen de zon weer. Nadat ik op een zeker ogenblik een klein dorp achter me had gelaten, bevond ik me opeens in een uitgestrekt, zonovergoten landschap van weiden, bomen, boerderijen. De weidsheid overrompelde me. Links, rechts, voor en achter…, in elke richting kon ik in de verte kijken. In deze enorme ruimte was elke gedachte die in mijn geest kon verschijnen, klein en onbetekenend.

Deze omgeving, die al zo ongelooflijk mooi was, werd even later nog mooier. Ik nam een bocht en zag een groene vlakte voor me, met hier en daar een rijtje berkenbomen. Het hele landschap werd op toverachtige wijze door de zon scherp uitgelicht. Het tafereel was zowel verfijnd als verbluffend. Achter al dat moois — laag boven de horizon — hing een donkergrijze, kolossale en onheilspellende lucht. Ik zou over vijf minuten weer een hevige sneeuwbui binnenrijden, wist ik, maar de weg daarheen was als een decor voor een sprookje. De bomen en de grasvelden leken zelf licht uit te stralen en waren hyperaanwezig. Er was zo veel schoonheid te zien dat ik er duizelig van werd.

Even later vroeg ik me af of in deze ervaring een symboliek besloten lag. Ik reed door een fantastisch fraai landschap in de richting van een nare, vervelende sneeuwbui. En het eerste kon niet bestaan zonder het tweede, en omgekeerd. Alleen door die dreigende grijze lucht in de verte kon alles wat me nabij was zo schitterend zijn. Ja, dat ogenblik in dat Gelderse landschap was verzadigd met betekenis.


Ga naar: inhoudsopgave miniaturen.

Vertelsels

Slingerend pad

Geplaatst op

Ik had een fantasie waar een onbekende man genaamd Paulus in voorkwam. Paulus en ik wandelden schouder aan schouder over een slingerend pad door een onbekend landschap. Rechts van het pad lagen velden, sloten, struiken en enkele boomgroepen. Daarachter, in de zonnige heuvels zag ik weiden met schapen en koeien, en hier en daar een boerderij. Toen ik mijn blik naar de andere kant van het pad wendde, zag ik de skyline van een enorme stad, een metropool. Het kwam me voor dat die stad geen grenzen had en nergens ophield. Tot in het oneindige zag ik blokvormige silhouetten van huizen en wolkenkrabbers.

Wij, ik en Paulus, wandelden rustig voort. Al snel hadden onze loopritmes zich aan elkaar aangepast: niet alleen onze voeten zochten de gelijktijdigheid, ook onze wandelstokken tikten steeds op hetzelfde moment tegen de plavuizen, wat een grappig ritme opleverde. Paulus dacht na, was serieus gestemd. En ik keek met plezier om me heen, vooral naar de vredige weiden en velden rechts van me. In de verte, tussen twee heuvels zag ik een meertje waarop een houten roeiboot dreef. Een man was in z’n eentje naar de overkant aan het varen. Hij had geen haast, dat was duidelijk. In een soepele beweging trok hij de roeispanen naar zich toe om ze vervolgens boven de waterspiegel weer van zich af te duwen. Ik moest even glimlachen om de eenvoudige schoonheid van het tafereel.

Daarna keek ik weer naar de linkerzijde van het pad, waar de grote stad in haar kolossale omvang aan de horizon lag. Het viel me nu op dat er nogal wat stalen communicatietorens met schotels en antennes tussen de gebouwen stonden, soms ook op de daken. Daar in de stad was iedereen met iedereen verbonden, vermoedde ik. Ik vroeg me af hoeveel mensen in al die huizen en appartementen woonden. Miljoenen, veronderstelde ik. Miljoenen levens speelden zich achter de spiegelende glazen wanden van al die wolkenkrabbers af.

‘Vertel eens wat over die stad,’ zei ik tegen Paulus, in de veronderstelling dat hij meer wist dan ik.

‘Oh…, oké Joost…,’ zei hij aarzelend. ‘Wat kan ik vertellen? De inwoners zijn altijd thuis. Ze zitten de hele dag in hun woningen. Daar werken ze, daar eten ze, daar kijken ze tv, daar slapen ze. Ze gaan nooit naar buiten. Het is hen door De Staat verboden om de deur uit te gaan. Levensmiddelen worden aan huis bezorgd, evenals kleding en andere benodigdheden. De mensen hebben via microfoons, camera’s en beeldschermen contact met familie en vrienden. Meestal praten ze over gezellige dingen die ze zojuist op tv of in een ander computerprogramma hebben gezien, zoals jonge poesjes in een nestje, of iemand die over een bananenschil uitgleed en op zijn neus viel. Soms kijken ze, ook via hun beeldscherm, naar vreemdelingen die seks bedrijven. Of ze kijken naar romantische verhalen over de liefde, over mensen die niet in hun huizen zijn opgesloten maar gewoon met de auto naar het strand rijden als ze daar zin in hebben, of over groepen vrienden die ’s avonds naar een feest gaan om te dansen. De opgeslotenen, zijn overigens niet ontevreden. Ze zijn altijd rustig en stil, ze klagen niet, ze denken niet na over hun leven. Nadenken leidt tot niets, vinden ze – daar word je alleen maar somber van. Ze kijken liever naar leuke dingen op hun beeldschermen.’

Paulus keek me aan, haast verontschuldigend.

‘Dank je,’ zei ik. ‘En laten we nu maar lekker verder wandelen over dit mooie pad.’

Ik keek weer naar het landschap rechts van me. De roeiboot had de overkant bereikt en lag nu aan een houten stijger. Iets verderop zag ik de roeier naar een boerderij lopen. Ik vroeg me af of hij daar alleen woonde, of met een vrouw, wellicht ook met kinderen. Hij heeft vast wel een gezin, bedacht ik – vast wel. Ik zuchtte tevreden en richtte mijn blik op de horizon.


Ga naar: inhoudsopgave miniaturen.

Vertelsels

Vroege ochtend

Geplaatst op

Kort na zevenen schoof ik, met een nog half slapend hoofd, het gordijn van mijn appartement open om naar het ochtendlicht te kijken. De onbewolkte lucht was op dit vroege uur nog vaal blauw als dunne waterverf. Laag aan de hemel stond de maan die een paar dagen eerder nog vol en rond was geweest en die nu alweer aan het afnemen was. Ook zij, de maan, was bleek van kleur. En de tuin daar beneden trouwens ook. Er lag een flinterdun laagje rijp op het gazon. Dit was zo’n maartse, vorstige ochtend die zich streng winters voordeed maar waarin toch al een aankondiging van de naderende lente besloten lag. Ik liet mijn ogen door het gehele tafereel dwalen: van de kraaien in de berkenboom links, langs de poes in de tuin van de benedenbuurvrouw, en vervolgens naar de man die iets verderop in de deuropening van zijn huis, in zijn kamerjas, ook naar het ochtendlicht stond te kijken. Een gevoel van geluk om zo veel schoonheid ging door me heen. Dit was zo’n moment waarin ik alle aardse zorgen vergat en waarin het me toescheen dat alle zichtbare dingen door een aura van eeuwigheid werden omgeven.


Ga naar: inhoudsopgave miniaturen.