Vertelsels

Avondklok

De klokslagen van de oude kerktoren waaien als windvlagen over de daken en dringen zonder enige moeite zijn huis binnen. Nadat de negende slag is uitgestorven, keert de stilte terug in de stad. Hij hoort ook geen geruis van langsrijdende auto’s, en geen keuvelende voetgangers. Het is doodstil. De avondklok is ingegaan. Vanaf dit ogenblik mogen de burgers van het land hun huizen niet meer verlaten. Tot morgenochtend half vijf moeten ze binnen blijven, zo heeft De Staat bevolen. Ze zijn allemaal opgesloten. Een heel volk is door zijn leiders achter slot en grendel gezet.

Hij ligt languit in bad. Uit het warme water stijgt de zoetige geur van lavendelolie op. Eigenlijk had hij nu naar mooie Russische koormuziek willen luisteren – de Vespers van Rachmaninov, had hij zich voorgenomen – maar hij heeft zijn draagbare luidspreker in de woonkamer laten staan. Dus luistert hij naar de stilte, en denkt hij aan God. Hij vraagt zachtjes, vanuit zijn ondermaanse dal, of God hem wilt horen. In hem woekert een donkere woede, een furie die is gericht op de criminelen die de wereldbevolking tot slaven willen maken. Op sommige momenten kan hij de gedachte aan deze misdaad niet meer verdragen. Dan wil hij op zoek gaan naar een lichter oord waarin hij zich kan terugtrekken, en waar hij in vrede kan ademen. Met heel zijn hart verlangt hij naar bevrijding uit zijn duisternis.


Ga naar: inhoudsopgave miniaturen.